Op 't vierde jaar in 't bestaan
Mijn hele leven nog te gaan
Wist ik reeds hoe 't me zou vergaan
Smelten deed ik voor 't eerst op acht
Voor de onwezenlijke pracht
Die haar schoonheid met zich meebracht
Terwijl 'k op twaalf eens aan haar dacht
Leerde ik hoe je 't andere geslacht
Met geflirt verleiden tracht
Gegroeid tot zestien
Dacht ik de ware liefde te zien
Een illusie besef ik sindsdien
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Op twintig trachte 'k te vluchten
Vier jaar ouder en dé illusie armer
Voelde 'k me bij elke vrouw wat warmer
Op vierentwintig lachend in 't leven
Ben 'k van dit alles weggevlogen
Om liefde zonder grenzen te vermogen
Bitter wacht achtentwintig om de hoek
Jammerlijk is 't hele lijf versleten
Ware liefde kan 'k nu echt wel vergeten
Wat is liefde?
Die avond besloot Eros halt te houden bij elk openstaand raam waar jeugdige jongens en meisjes vredig lagen te dromen. Aangekomen in de kamers zette hij zich neer achter de rug van de jeugdige dromers, zodat zij hem niet konden zien, leunde wat voorover en vroeg hen al fluisterend 'wat is liefde?'.
De meisjes voelden hierbij een ongekende prikkeling, teweeggebracht door Eros' krullen die hen net boven de oren aaiden. Ze toverden allen een glimlach op hun gezicht en vertrouwden hem toe dat liefde de ultieme droom was, dat ze allen wilden trouwen met een lieve prins die hun tegemoet zou komen. Telkens verliet Eros hierop de kamer en liet de meisjes rustig slapend achter.
Dezelfde vraag stelde hij aan de jongens die hem antwoorden dat liefde bestond uit het aanschouwen van een knap meisje, haar met al hun kunde na te jagen en er dan hun hele leven mee door te brengen. Anderen gromden dan weer en antwoorden helemaal niets, liefde bestond voor hen niet.
Wel honderd keer moest Eros hetzelfde antwoord op zijn vraag aanhoren. Was er dan geen kind dat meer wist over de liefde? Toen hij zich afvroeg of de jeugd nog wel in staat was de ware liefde te kennen, viel zijn oog op een kamer waar nog licht brandde in het diepst van de nacht. Eros ging de kamer binnen en legde zich achter het meisje dat er in bed lag, boog zich voorover en vroeg 'wat is liefde?'. Het meisje schrok, in tegenstelling tot al de anderen, bij het horen van deze vraag. Ze opende haar ogen, wou haar omdraaien om haar spreker te zien, maar Eros belette het haar. 'Ik wil enkel van je horen wat liefde is' fluisterde hij.
Het meisje keek naar het plafond en zag daar de schaduw van een hoop kleine krullen en de contouren van een engelengezicht. 'Ach, wat voor een vraag stel je mij nu?' - sprak het meisje. 'Liefde is niet te definiëren, liefde is niet te vatten in woorden. Liefde is niet uit te drukken in hoop, niet in verwachting, liefde bevindt zich niet in het verleden, niet in het heden en ook niet in de toekomst. Liefde is geen verhaal van prinsen of prinsessen, liefde is geen lotsbestemming. Ik weet misschien niet veel, ik ben immers nog jong en weet weinig van het leven. Maar ik weet één ding, Eros, liefde ontstaat daar waar jouw engelengezicht en goddelijke krullen het hart van twee mensen tezelfdertijd raken.'
Eros glimlachte, gaf het meisje een kus op de wang, streelde haar lippen en verdween in de nacht..
Levensloop
Lach maar, kleine man
Lach maar zo hard je kan
Let nu even op m'n kind
Doe 't opdat je wordt bemind
Tiener, ga maar flink naar school
't Leven is niet al frivool
Een mooi diploma voor de jongeheer
Z'n dromen komen niet meer weer
Proficiat met de prachtige looppbaan
't Ware leven is aan 'm voorbijgegaan
Trots zit ie daar oud
Een klein kapitaal opgebouwd
Uiteindelijk in 't bestaan bejaard
weet hij niet dat ie nog verjaard
En na jaren in de kist
is er niemand die hem nog mist
Zonder moed
Gezegend zijn zij die hun jeugd wisten te eren
Wiens zorgen hun levenslust niet konden deren
Gezegend al wie volop genoot van jonge jaren
Die niet hun energie voor de toekomst gingen sparen
Wee zij die dachten dat 't leven wel zou komen
Die hun tijd vergooiden aan hoop en aan dromen
Wee zij die hun energie hebben bewaard
En nu wegkwijnen tot hun spijt weer eens verjaart
Het besef komt:
De jeugd zal niet wederkeren
God valt niet langer te eren
En zodra ook hun schoonheid vergaat
Komt afkering van het eigen gelaat
Hier wachten ze steeds maar, treurend om wat ze verkwistten
Daar gaan de anderen, blij om wat ze toen reeds wisten
Oud geboren, nooit geleefd, klaar om dood te gaan
Wachtend op morgen hebben ze 't leven laten staan
Jong geboren, vol geleefd, geen weet van 't sterven
Zelfs op hun doodbed laten d'anderen hun pret niet bederven
Soms laat begint een wachtende erom te geven
En probeert het jeugdige alsnog te beleven
De wachtende lacht en weent voor even
Maar ontbreekt de moed om voluit te leven
Liefde is brons
Voor zich zat hij uit te staren
In gedachten verzonken
Tot hij werd aangetrokken door 'r rood-bruine haren
Haar zwarte botjes geblonken
Lang bleef hij niet om haar geven
Korstondig was zijn interesse van duur
Een ander rokje kwam langs hem zweven
En leidde hem naar het passionele vuur
Welk nut heeft liefde voor even
Wat haalt het in godsnaam uit
Als je je hart enkel weg wil geven
Aan het kind met bronzen huid
Want ZIJ bezit ogen vol pracht en praal
ZIJ draagt de glimlach der genot
En ZIJ spreekt de vurigste aller taal
Ach, JIJ bent volkomen zot
Op vroeger
Ernest plofte zich neer in zijn zetel. "Eindelijk rust" dacht hij bij zichzelf, tot hij de bel hoorde. Wie kwam hem in godsnaam storen op een donderdagavond? Kon dat niet wachten tot morgen? Het geluid van de bel begon hem te storen, een volhouder daar buiten aan de deur, verdorie toch. Ernest deed zijn pantoffels aan en slofte richting voordeur. Hij nam een diepe zucht en opende het portier.
"Ah, je bent thuis! Dat duurde nogal? Toch niet in slaap gevallen zeker?".
"Nee hoor" -antwoordde Ernest - "ik was aan het genieten van mijn welverdiende rust."
"Oh, ben je niet blij dat ik je even een bezoekje breng dan? Je gaat me toch niet buiten laten staan zeker?"
"Hm, kom maar binnen. Iets drinken?"
"Heb je koffie?"
"Nee, geen koffie en ook geen bier in huis."
"Doe dan maar een glaasje rode wijn."
"Jep, ga maar naar de living, ik kom zo."
Ernest wandelde naar de keuken, opende zijn wijnkast en nam er een fles wijn uit. "Waarom moet zij verdorie net vandaag komen, waarom niet gisteren of morgen, nee vandaag, waarom?". Hij nam twee glazen uit de kast en schonk er de wijn in. Met de glazen in de hand wandelde hij naar de woonkamer, zette zich neer in de zetel waar hij zo-even nog rust gevonden dacht te hebben, zette de wijn neer op de tafel en vroeg:
"Waaraan heb ik je bezoek te danken?"
"Gewoon."
"Oh, gewoon. Ok, smaakt de wijn 'gewoon'?"
"Ja hoor, heel lekker. De beste wijn in jaren" -grapte Lise.
"Nee, serieus, waaraan heb ik je aanwezigheid hier vandaag te danken?"
"Ach, Ernest, ik wou gewoon een bezoekje brengen aan een goede vriend."
"En die was niet thuis, dus kwam je maar naar hier?"
"Ha-ha-ha, heel grappig, Ernest, heel grappig. Doe niet zo gek, je weet hoe belangrijk je bent voor mij."
Ernest glimlachte, hij zou het nooit toegeven, maar die woorden klonken hem als muziek in de oren.
"Goed, Lise, wil je iets gaan doen vanavond?"
"Laten we lekker binnen blijven, een filmpje opzetten en gezellig samen kijken, ok?"
"Perfect, ik zal nog wat chips uit de kast nemen, kies jij ondertussen een film uit."
Ernest liep naar de keuken, nam de overgebleven zak chips uit de kast en greep de fles cola mee. "Kalm blijven Ernest, doe niets dom. Het is gewoon een filmpje, niet meer of niet minder. Geniet van het gezelschap, verpest het nu niet".
Lise nam een dekentje van achter de zetel, dat dekentje lag al jaren op dezelfde plek merkte ze tot haar plezier op. "Ik heb de film reeds klaargezet, kom vlug hier dan kunnen we beginnen kijken."
Ernest ging naast Lise op de zetel zitten. Lise trok Ernest tot dicht tegen haar aan en legde het dekentje over hen beiden. "Net als vroeger" - fluisterde ze. Ernest rijkte Lise haar glas wijn, hees het zijne en zei "op vroeger". "Op vroeger"- lachte Lise.
Buiten
Vroeger ben ik wel eens even buiten geweest, enkele jaren terug. De straat op, wandelend tussen de mensen, genietend van de bomen en bloemen. Dat moet zowat de mooiste tijd uit mijn leven geweest zijn.
Als kind ging ik niet naar buiten, daarbuiten kon zoveel mislopen! Zo zag ik als kind op tv dat er op straat ongelukken gebeuren, dat mensen met elkaar vochten, dat er doden vielen. Maar in mijn huis gebeurde dergelijke dingen niet. Ik kon hoogstens mijn voet stoten tegen de tafel of trap. Toegegeven, de mooie verhalen over dansen, vrij vliegende vogels en avontuur lokten mijn nieuwsgierigheid, maar dat woog niet op tegen het mogelijke gevaar daarbuiten. Mijn ouders hielden me ook liever binnen. Want binnen had ik alles wat ik nodig had. En als er vriendjes kwamen spelen, dan was dat steeds leuk. En plezier was er, en geen gevaar. Ik kon zo wel 100 jaar worden, dacht ik bij mezelf. Waarom moest ik in godsnaam naar buiten gaan? We hadden binnen vogeltjes in een kooi, een hond en kat als gezelschap en vele kamerplanten. En deze kon je perfect verzorgen, het was veilig en goed.
Ik moet ongeveer 20 geweest zijn toen ik voor het eerst de straat op ging. De bedoeling was om voorbije alle huizen in de straat te wandelen, ik wou op avontuur. Mijn ouders gunden me de kans en ik vertrok. Ik ben nipt tot het huis van de buren geraakt, daar sloeg de angst me om het hart. Wat als er iemand me zou aanrijden? Wat als iemand me zou bestelen? Was dit het dan? Binnen was het veel leuker, veiliger, ach ik kon vanuit het huis toch naar buiten kijken? Waarom moest ik het zelf ervaren? En roepend en tierend viel ik op de grond, mijn ouders kwamen snel tot bij de buren en droegen me naar huis. Een week lang zat ik zwaarmoedig in mijn zetel, ontgoocheld in mezelf en vastbesloten nooit meer buiten te gaan. Ik zou wel meer mensen van buiten laten komen, hun verhalen boeiden me steeds. Zelf naar buiten gaan, dat was echter niet meer aan mij besteed.
Twee jaar later kwam er een meisje van buiten aankloppen, ze had nog nooit een huis als dat van mijn ouders gezien, en ze vroeg of ze even binnen mocht komen. Binnen leidde ik haar rond en vertelde haar wat over mezelf, het huis, mijn ouders. Tot ze plots vroeg of ik niet even mee naar buiten wilde gaan, met haar erbij beloofde ze dat er niets zou gebeuren. Zonder dat ik het wist zou deze beslissing mijn hele bestaan dooreen gooien. Nooit had ik zoiets moois meegemaakt, een nieuwe wereld ging open en ze sleurde mij er helemaal in mee. Af en toe keerde ik naar huis terug, maar zo snel ik kon ging ik weer naar buiten. Vrije vogels, wildgroei, lieve mensen, lachende mensen, loslopende dieren, liefde, avontuur, het was allemaal waar wat ik gehoord had!
Sinds enkele jaren zit ik terug binnen, ik heb de ramen ondertussen dichtgespijkerd. Ik kan binnen gelukkig worden, dat heb ik als kind toch ervaren. Als kind wou ik niet naar buiten, dus als ik nu lang genoeg binnen blijf, dan zal dat gevoel wel terugkomen zeker? Ik wil af van die drang naar buiten, het geluk moet binnenshuis te vinden zijn. Waarom krijg ik dat gevoel niet terug? Ik ben moe, het leven binnen is opeens zo zwaar. Maar ik durf niet meer naar buiten, zonder haar als leidraad heb ik daar in die wilde wereld niets te zoeken. Misschien moet ik niet helemaal naar buiten, misschien is er een tussenweg voor mij? Dagelijks stel ik me de vraag: 'En als ik nu eens de deur open deed?'
Verloren Dromen
Waarom ben ik nooit gelukkig?
Ben ik degene die het altijd verpest?
Door op straat te lopen oh zo nukkig?
Doet de rest dan echt zo zijn best?
Een leven bouwen rond de kerk,
het zit eraan te komen,
uitgeput van al het werk,
roepend om verloren dromen.
En toch ga ik vechten tot de laatste snik,
want de jeugd zal niet werderkeren.
En alvorens ik mijn ziel opfik,
wil ik diens schoonheid eren.
Verdwaald
Verdwaald in de nacht
Is het de jongeheer die op haar wacht
Verdwaald in het leven
Zal ze zich nooit aan hem geven
No comments:
Post a Comment